Therapie voor Selectief Mutisme

Twee voorbeelden uit de praktijk

Karl zegt het niet te willen

Karl leek helemaal niet verlegen. Hoewel hij al ruim twee jaar niet sprak op school, babbelde hij vanaf het begin opgewekt met de therapeut. Het was moeilijk voor te stellen hoe zwijgzaam hij in de klas was. Zodra de therapeut echter iets zei over spreken op school, verklaarde Karl monter:
“Dat ga ik toch nóóit doen”.
“Oh” zei de therapeut, een beetje van haar stuk gebracht. “Hoe dat zo?”
“Omdat ik dat niet wil”. Meer kon Karl er niet over vertellen.

De eerste stappen werden heel snel doorlopen. Hoewel Karl vol bravoure was, besteedde de therapeut toch voldoende aandacht aan verhaaltjes over bang zijn en durf-spelletjes. Karl deed mee, maar over het spreken op school stond zijn besluit vast.

Binnen enkele sessies was Karl door fase 1 en 2 heen. Hij hield stug vol geen angst te kennen maar gewoonweg niet te willen, totdat in fase 3 de leerkracht mee ging doen en zijn witte gezichtje wat anders vertelde. De therapeut zorgde voor hele kleine stapjes en veel positieve bekrachtiging. Hoewel Karl van elke volgende stap aankondigde dat echt nooit te gaan doen, durfde hij het eerstvolgende spelletje steeds net aan. De positieve zelfspraak die hij had aangeleerd leek hem daarbij goed te helpen. Zo beklom hij langzaamaan de toren, totdat hij vrijuit sprak in de klas.

Kirsten

Kirsten wilde ook niet. Zij verstopte haar angst achter een woedend gezicht. Schoppend en huilend verzette ze zich toen haar moeder met haar naar de therapiekamer liep. Ze wilde geen dobbelsteen gooien en geen stift aanpakken. De therapeut vertelde rustig over de activiteiten. Ze stelde gerust, liet het materiaal zien en negeerde de boze maai waarmee Kirsten de stickers van tafel veegde. Terwijl ze de stickers bijeenraapte zei ze:
“Hé, ik mis mijn Lion King stickers. Waar zijn die gebleven? Ik had die speciaal voor jou gekocht, want ik hoorde dat jij zo van die film houdt.”

Ze vertelde Kirsten dat ze op haar kamer naar de stickers ging zoeken en moedigde Kirsten aan om eens samen met haar moeder rond te kijken en iets te kiezen om mee te spelen. Bij terugkomst klopte ze op de deur. Kirsten stond boos in een hoek. Ze wilde nergens mee spelen.
“Ik ken een spel van de Lion King. Dat zullen we de volgende keer spelen”.
De therapeut pakte de laptop en toonde moeder het Luiderslot. Ze oefende geen druk uit op Kirsten, die zich demonstratief afwendde, maar mogelijk toch wat geïnteresseerd raakte in het computerspel. Ze vroeg moeder en Kirsten om thuis het het poppetje te maken en eerste spel te spelen.

Voor de volgende keer sprak ze met moeder af dat het zusje van Kirsten mee zou komen. De therapeut printte een aantal Lion King plaatjes uit en verstopte die vooraf in de kamer. Terwijl moeder en de therapeut de kamer even verlieten, kregen de kinderen de opdracht de plaatjes te zoeken. Op deze manier lukte het Kirsten zich op haar gemak te gaan voelen en plezier te krijgen in de activiteiten. Geleidelijk aan durfde ze meer te doen in aanwezigheid van de therapeut.